Levenscyclus

Phytophthora kan zich zowel geslachtelijk als ongeslachtelijk voortplanten. 

Ongeslachtelijke voortplanting

Phytophthora sporen verspreiden zich door de lucht. Wanneer een spore op het aardappelblad terechtkomt, dringt een kiembuis het blad binnen. Eenmaal binnen vertakt de kiembuis zich en neemt voedingsstoffen op uit de cellen. De kiembuis groeit en de vertakkingen tasten steeds meer cellen aan. Uiteindelijk komen er aan de onderkant van het blad, vanuit de huidmondjes, sporendragers. De sporen waaien weg en kunnen een nieuwe besmetting veroorzaken.

Sporen kunnen ook met het regenwater de grond in spoelen en de knollen aantasten. De aardappelknollen wordt dan langzaam bruin en beginnen te rotten. Het hele proces van kieming tot verspreiding van nieuwe sporen en aantastingen kan zich bij vochtig weer binnen 4 dagen afspelen. Als de omstandigheden optimaal zijn voor de ziekte kan het een perceel aardappelen binnen 2 tot 3 weken volledig verwoesten.

Geslachtelijke voortplanting 

Naast de ongeslachtelijke voortplanting kan Phytophthora zich ook geslachtelijk voortplanten. Hiervoor zijn twee paringtypes van de oömyceet nodig, namelijk de types A1 en A2.

Vóór 1980 was alleen type A1 in Europa aanwezig en kon Phytophthora zich enkel ongeslachtelijk voortplanten. Maar door de komst van type A2 uit Mexico werd geslachtelijke voortplanting mogelijk. Deze geslachtelijke voortplanting heeft de bestrijding van Phytophthora nog lastiger gemaakt.

De aardappelziekte is in staat om de ziekteresistentie van het gewas steeds sneller te doorbreken en kan zich ook aanpassen aan de fungiciden. Zo kan er dus relatief eenvoudig resistentie ontstaan van Phytophthora tegen gewasbeschermingsmiddelen en kunnen resistente aardappelrassen ineens niet resistent meer zijn.